Moeten of mogen?

Als het aankomt op het bijhouden van huishoudelijke taken ben ik geen rolmodel. De was en strijk kan soms behoorlijk opstapelen vooraleer ik het niet meer kan aanzien en toch enkele uren bezig ben om die gebruikelijke achterstand weer in te halen. Alles proper en netjes gestreken, taak gedaan denk je dan… maar nee, het wegleggen van die mooie stapel stel ik zowaar nog langer uit. Het is zo’n taak die ik te groot vind na enkele uren achter die strijkplank, maar te klein om aandacht aan te besteden in de dagen die daarop volgen. Dus blijft die mooie stapel in de wasmand liggen op de badkamer, tot iemand iets nodig heeft wat meestal onderaan lijkt te liggen…

Ben ik diegene, dan is dat meestal het moment om toch maar die inspanning te doen en alles even weg te leggen. Is het papa, dan komt de vraag meestal bij mij waar het bepaalde item ligt en dan komen we weer bij de vorige optie uit. Is het Kayden, dan resulteert die mooie stapel zonder fout in een toren van Pisa die meestal net omvalt wanneer hij de kamer uit is en ik binnenkom… met als gevolg dat we terug bij optie één zijn, maar ik er dan weer net wat meer werk aan heb en me nog maar eens voorneem de volgende keer het toch maar meteen te doen.

Hetzelfde speelt zich trouwens met grote regelmaat af in de kleerkast van onze ongeduldige 9-jarige, waar de mooi geordende kledingstukken blijkbaar steeds spontaan een gevecht met elkaar lijken aan te gaan en ik meer dan eens scheidsrechter moet spelen om ieder stuk weer op zijn eigen plaats te krijgen. En net dat deed me dit weekend voor die kleerkast belanden en beseffen dat de tekst die ik even daarvoor las over “waarom je beter denkt in termen van mogen dan van moeten” ook in de kleerkast van onze jongens pijnlijk duidelijk geïllustreerd wordt. Die kleerkast is verdeeld in een onderste helft, die zelden langer dan 2 dagen geordend blijft, waarin alles zoek raakt en je amper kan bijhouden wat nog past en wat niet.

En dan is daar de bovenste helft die is voorbehouden voor de lievelingskleren van onze jongste. Alleen die kleren die hij echt leuk vond en vaak droeg hebben we bijgehouden. En op die leggers liggen de t-shirts langs de korte broeken en de truien langs de lange broeken… mooi opgevouwen, gestreken in een rechte toren, zonder kans op veldslagen. Instagram waardig voor het profiel van de perfecte moeder die we blijkbaar allemaal proberen te zijn. De leggers in die helft zijn al 11 maanden social media waardig. Dat wordt enkel onderbroken wanneer ik er nood aan heb om zijn Minions t-shirt of Superman joggingbroek nog eens vast te pakken, er een half uur naar te staren in ongeloof en ze dan weer mooi op te plooien en terug te leggen. Of wanneer ik stilletjes zijn pyjamahelden trui in de wasmand gooi om toch nog één keertje iets van hem tegen te komen…

Wat een voorrecht zou het zijn om zijn blauwe Mario pyjama nog eens te mogen wassen of zijn zachte oranje deken omdat het vol chocomousse hangt. Zou ik ooit nog zeggen ‘moet ik dat nu weer?’ Nu niet meer, nu ik het kwijt ben besef ik pas ten volle wat een geluk ik had dat ik dat mocht doen. En of ik het goed deed wordt enkel bepaald door degene aan wie je de vraag zou stellen. Mijn vroegere zelf zou zeggen dat ik er echt een ramp in ben… mijn huidige zelf weet dat de 2 grootste mannen in huis zouden zeggen dat ik het wel goed doe en die jongste… die moest ik het niet vragen, hij vertelde het me zelf wanneer hij zijn gezichtje begroef in zijn favoriete deken, de geur zo hard als hij kon opsnoof, het knuffelde en met een langerekte ‘aaaah, mama dit ruikt zoooo goooeeed’ op mijn schoot kroop. Wat een geluk dat ik het mocht… <3

Een nieuw jaar

De feestdagen zijn voorbij, 2020 heeft zijn intrede gedaan. Gelukkig maar, want december leek deze keer eindeloos te duren.
Waar de lichtjes in de straten anders tot de verbeelding spraken, lieten ze ons dit jaar alleen maar het grote contrast zien met de donkere hemel waartegen ze afstaken. De kerstboom raakte met moeite klaar voor kerst, buitenverlichting bleef in de doos… er was niemand om aan onze mouw te trekken over het feit dat de rode piek op onze verder volledig zwart met witte boom toch wel de allermooiste was. Mariah Carey zong over ‘All I want for Christmas’ en Wham, onze gezinsfavoriet, bleef maar doorgaan over ‘Last Christmas’… het leek wel of ieder kerstliedje het had over wat we niet wilden horen.

Vorig jaar was de kerstperiode er nog eentje waarin we met veel pijn in het hart afscheid namen van Nathan, een 13-jarige held die zijn jarenlange strijd tegen hetzelfde monster moest opgeven nadat hij 5 keer herviel en even vaak onverschrokken en met die eeuwige wijze ogen en kalme glimlach terug de arena in stapte. Ik wist niet wat zeggen tegen zijn moeder die me zo vaak geholpen had met goede raad en voelde me schuldig dat de toekomst ons wel toelachte terwijl zij voor altijd afscheid namen. Een schuldgevoel dat gepaard ging met opluchting… stel je voor dat je dit meemaakt, hoe leef je dan verder? Wij zouden het nooit kunnen, daar waren we het over eens.

Maar nu zijn we hier, een jaar later, plots zijn we aanbeland in een jaar waarin Kenric nooit zal geleefd hebben. Een jaar waarin we ons zonder twijfel verder gaan afvragen ‘hoe leef je dan verder?’. De dualiteit van het leven nadat je een kind verliest is amper in woorden uit te drukken. Maar af en toe lees je iets waarvan je zegt ‘ja, zo is het exact’. Dat gevoel kreeg ik bij onderstaande tekst:

Every day you die again.
While I’m driving

Or shopping
Or pretending to watch TV.
It hits me and I forget how to breathe.
Some days, I can sneak by without you dying.
Just quietly skate past it.
Tiptoe around it like a mouse.
But most days, it’s a bull…
And I am wearing red.

Beter kan ik het voorlopig niet uitleggen. Het is een constante krachtinspanning, een boksmatch tegen 4 tegenstanders. Ieder op zich zijn ze af te weren maar terwijl zij om beurten uitrusten om terug op krachten te komen gaat jouw inspanning verder. En heel af en toe slaag je erin ze alle vier tegen de grond te slaan en krijg je tijd om te rusten tot ze weer rechtgekrabbeld zijn. We moeten accepteren dat ze er altijd zullen zijn, het enige wat we kunnen doen is sterker worden…

Een kind dat de zon meebrengt

Vandaag luisterde ik naar de podcast van Anders Nabij, meer specifiek naar het verhaal van Harte.
Al van bij het eerste geluidsfragmentje waarin ze zingt overspoelde het gevoel me dat Harte en Kenric zo erg op elkaar moeten geleken hebben. En toen mama Elke zei “dat is tof dat je een kind hebt dat de zon meebrengt…” kon ik niet anders dan huilend knikken in herkenning.

Een kind dat de zon meebrengt, wat een fantastische omschrijving, een betere heb ik tot op heden nog niet gehoord of gevonden. Ook Kenric bracht de zon mee, waar hij ook was, wat hij ook moest ondergaan, er ging geen dag voorbij dat er niet gelachen, gezongen of gedanst werd. Die zonneschijn trok ons als gezin, als ouders, door het donkerste dal. Die zonneschijn omvatte steeds de belofte van een betere toekomst, als we maar hard genoeg zouden vechten zouden we daar ongetwijfeld komen.

Samen met die zonneschijn verdween die belofte, dat doel, die toekomstvisie en het liet ons achter in een land van oneindige schaduw. En hoewel niemand in ons gezin negatief of pessimistisch is ingesteld of opgeven ooit als een optie beschouwt resulteert dat gebrek aan zonneschijn vaak in een tekort aan energie en levenslust. Die schaduw is nu onze metgezel, de ongewenste gast die als eerste verschijnt op een feestje en die je als laatste aan de deur moet zetten. Die de vierde stoel aan de tafel bemant en je zonder woorden in tranen kan laten uitbarsten. We moeten met hem leren leven, hem een plaats geven in ons gezin. Want hoe meer we hem proberen te ontlopen, hoe groter zijn aanwezigheid wordt.

Misschien was hij er de laatste jaren altijd al, diep verborgen in ons zonnige kind, het monster dat Kenric beter dan wie ook kende. De stem die, toen alle experts zeiden dat het goed was, hem influisterde dat mama haar hartje zou gaan breken wanneer hij er niet meer was. Die hem vertelde dat, ook al zouden mama en papa volgen, het toch wel heel jammer was dat hij hier niet echt meer zou zijn. Die laffe schaduw, die de jongste telg in onze familie koos, maar niet gerekend had op de kracht en weerstand die hij daar zou aantreffen.

Hij is er nog steeds, maar nu zonder de zon om hem voor ons te verbergen. Ons kind dat de zon meebracht heeft ons voorgedaan hoe we moeten leven met hem zonder dat hij ons klein krijgt. Het is nu aan ons om die les toe te passen.


Anders Nabij Podcast:
Audiomaker Eva Droogmans maakte een reeks van vijf luisterverhalen, podcasts, met de ouders van het boek ‘Anders Nabij’. Eva praat met hen over hun overleden kind en over hoe zij nu verder gaan in het leven. Dat doet ze op een plaats die voor de ouders heel speciaal is en daarom ook heel veel losmaakt.
https://www.andersnabij.be/

Waarom…. meneer de begrafenisondernemer?

Donderdagochtend, 21 februari 2019, 6u45, het moment dat het onvermijdelijke gebeurde. Het moment dat ik wakker werd met het geluid van de zuurstofmachine die langs ons dubbel bed in de woonkamer stond te ronken. Alleen maar dat geluid, het geluid dat er tot dan toe bij was geweest, dat van de gejaagde ademhaling van onze zoon aan het einde van zijn krachten was er niet meer bij. Een onwerkelijk moment waarop ik 3 keer opnieuw ging voelen of het echt was, besefte hoe het zat, naar de telefoon liep en toch weer terugging omdat ik me zeker wel vergist zou hebben.

We wisten het al een tijdje, dat we een deel van ons hart zouden moeten afstaan, maar hoewel ons hoofd het begreep vertelde ons hart dat het gewoonweg echt niet waar kon zijn. Hoe we ook probeerden om ons voor te bereiden op dat moment, het had geen zin, want de realiteit veegde ons onderuit als nooit voorheen en liet enkel een lege schaduw van onszelf achter.

We wisten dat het hard ging zijn en daarom raapten we 3 weken voordien al onze moed bij elkaar en brachten we een bezoek aan jou, de gerenomeerde lokale begrafenisondernemer. We planden nog nooit eerder een begrafenis en hoopten de richtlijnen te krijgen die ons doorheen dit ongewenste traject zou leiden. Maar dat bleek niet het geval. Na een 5 minuten durend gesprek stuurde je ons naar huis met de opdracht om te bellen als het zover was. Dan zou jij voor alles zorgen en moesten we ons over niets druk maken. Ongeduldig om weg te zijn op die confronterende plek en vertrouwend op de eerbaarheid van zo’n maatschappelijk belangrijk ondernemer staken we onze drang naar controle weg en focusten we weer al onze aandacht op wat echt belangrijk was.

Aangekomen op het cruciale moment, verdwaasd starend naar onze ergste nachtmerrie, vielen we terug op die woorden en schakelden we jouw hulp in. Je kwam naar ons huis met een bundeltje papieren die je minutieus invulde. Je vertelde ons dat als geluk bij een ongeluk de kist net de dag voordien was toegekomen en je vroeg ons naar onze wensen. Dat waren er niet veel, al onze wensen van de voorbije jaren waren net voorgoed van de tafel geveegd, maar er was toch iets wat voor mij op dat moment belangrijk was. Ik wilde onze zoon zo lang mogelijk thuis houden om in alle rust afscheid te nemen en ik wilde niet dat hij een nacht in een koelcel zou moeten doorbrengen vooraleer hij naar het crematorium ging. Die wens had ik je in ons 5 minuten gesprek al meegedeeld en dat bleek toen geen probleem.

Op die donderdag 21 februari bleek dat toch een probleem want al tijdens het invullen van de documenten zuchtte en pufte je over het feit dat het toch wel heel erg warm was in onze woonkamer. Wat later in de conversatie resulteerde dit in de conclusie dat Kenric niet langer dan die avond thuis kon blijven. Uiteraard deed je dat voor ons, want de beelden die we zouden moeten aanschouwen als hij zo lang in een warme ruimte bleef, zouden onuitwisbare sporen nalaten. Om 16u moest je hem ophalen, dat was in ons eigen belang. Op mijn vraag of we onze woonkamer niet konden afkoelen knikte je afkeurend. Nee het proces ging te snel, dat zou niet veel helpen.

En net als tijdens die honderden hospitaalbezoeken, prikjes, narcoses, sondes, … in de voorbije jaren maakte ik opnieuw van een stukje van mijn hart een steen en gaf toe. Om 15u30, je was ook nog wat vroeger, legden mijn man en ik het lichaam van onze superheld in de houten kist, samen met zijn tut en knuffeldoek, draaiden de schroeven bovenop dicht en hielpen de kist inladen in de wagen. Niemand sprak nog over de optie om hem die avond of ochtend nadien nog te zien en wij, in onze verdoofde waas, vergaten het je ook nog te vragen.

Lange tijd bleef ik in de overtuiging dat dit de enige manier was waarop het kon gaan. Tot ik een concurent-collega van je ontmoette die mijn verhaal hoorde en verontwaardigd riep ‘Maar mevrouw, jouw zoon had nog zonder probleem tot maandag bij jullie kunnen blijven, hoe is het mogelijk dat iemand in ons vak je dwingt zo snel afscheid te nemen?’ Die concullega van jou nam de tijd om me in te wijden in alle mogelijkheden die we zouden gehad hebben om het afscheid van onze zoon draaglijker, rustiger en serener te laten verlopen. Mogelijkheden die jij ons niet geboden hebt. Tijdens het 2 uur durende gesprek met deze man pinkten zowel hij als ik een traan weg bij het tragische afscheid dat zoveel menselijker had kunnen zijn, want zoals hij terecht opmerkte, als begrafenisondernemer moet het van de eerste keer juist zijn, herkansingen zijn er niet.

Sinds die dag vraag ik het me af… waarom meneer de begrafenisondernemer? Was het zodat je toch een overnachting kon aanrekenen? Was het omdat we geen koffietafel wilden doen? Was het omdat we zelf de urne kochten? Was het omdat er nog wachtenden in de rij stonden? Tot op heden wacht ik op het antwoord… ik hoor het graag van je.

Hoop doet …

Vandaag markeert 8 maanden sinds het afscheid van zijn fysieke aanwezigheid zoals de begrafenisondernemer het zo gepast verwoordde. Tweehonderd en tweeënveertig dagen waarbij de eerste gedachte ’s ochtends is “Was het geen droom?” en de laatste ’s avonds “Ik hoop dat ik hem vannacht zie in mijn droom.”

Nietzsche had over veel dingen wat te zeggen maar vooral zijn uitspraak over hoop zat er naar mijn gevoel pal op “De hoop is het kwaadste der kwaadst, omdat zij de marteling verlengt“. Want ondanks een perfect rationele bevatting van de realiteit is hoop nu de brandstof die de motor probeert draaiende te houden. Hoop op waarheid in de woorden ‘Hij is op een betere plaats’, hoop op het bestaan van een andere realiteit die we nu nog niet kennen, hoop op een weerzien, hoop op een teken dat aangeeft dat dit niet voor altijd moet zijn…

Vóór het afscheid stond ons leven ook al lang in teken van hoop. Hoop op genezing en een ‘normaal’ leven. Die hoop was een duurzame, hernieuwbare brandstof die bij een dreigend tekort automatisch werd aangevuld door een knuffel, een dansje of een schaterlach van de twee gladiatoren in ons huis, die ieder op hun manier streden tegen het monster. De ene door onverschrokken elke medische of fysieke uitdaging aan te gaan, de andere door op mature en geduldige wijze te accepteren dat zijn noden vaker wel dan niet op de tweede plaats kwamen.

De hoop na het afscheid is een schaars goedje, een brandstof die enkel gevonden kan worden tijdens een voortdurende zoektocht naar nieuwe bronnen en waarbij het ontginnen vaak meer energie vraagt dan het oplevert. Af en toe passeren we een bron met een grote voorraad en leunen we uitgeput achterover, blij dat we nu weer even verder kunnen. Maar elke keer opnieuw stranden we onvoorzien langs de kant van de weg met een lege tank. Ook de hernieuwing laat het afweten, knuffels bieden louter nog troost en schaterlachen is er voorlopig niet meer bij.

Maar toch, ondanks alle sputteringen van die afgepeigerde motor leren we zuinig te zijn in deze tijd van schaarste en aanvaarden we dat er momenten zijn waarop we niet vooruit komen. Dus lassen we meer pauzes in dan vroeger en zoeken we alternatieven die waarschijnlijk niet zo efficiënt zijn maar die ons op een of andere manier ook vooruit brengen. En tijdens de hobbelige rit proberen we, ondanks alles, dankbaar te zijn voor het feit dat we hebben mogen leren van de beste dat achteruit rijden nooit een optie is…